Skip to main content
Green Button

Voor u geschreven
maandag 20 apr 2026

(adv.)

Televisie (2)

Als ik zeg dat ik verdrietig ben, Dan bedoel ik dat ik de vogels en de bloemen niet meer ken. Ik zie alleen maar dode blaren In ’t zwarte water van een ven. Dat bedoel ik als ik zeg dat ik verdrietig ben.

Dat was een van mijn eerste liedjes, en dat zong ik bij mijn debuut op de televisie, dat was in 1961. Ik had toen met mijn grote vriend Bob Rooijens in een muziekwinkel in het Oude Noorden een gitaar gekocht. Hij was niet duur en van het naar zeggen beroemde merk Levin. Bob had mij een paar akkoorden geleerd, ik heb er nooit meer dan een stuk of tien onder de knie gekregen terwijl ik er volop mee optrad, dat durf je dan allemaal. Toen had ik een EP-tje gemaakt bij de Studenten Grammofoonplaten Industrie, een stel handige jongens die deel uitmaakten van de platenmaatschappij Bovema, bekend van het merk His Masters Voice, u weet wel, dat hondje bij die grote hoorn van een oer-grammofoon.

Dat plaatje was best gelukt, vooral ook omdat ik zo wijs geweest was voor de tweede gitaar Peter Blanker te vragen die echt gitaar kon spelen. ( De grote ster van SGI was toen de uiterst succesvolle Jaap Fischer.) Wim Kan vond een en ander niet verstandig van mij, vond dat ik er nog lang niet aan toe was, plaatjes maken. “U neemt de lift naar het succes, beter is trappen klimmen”, schreef hij mij. Toch had de oude meester daar, met alle respect, geen gelijk in, tenminste, het is maar hoe je het bekijkt. Door dat plaatje werd ik gevraagd voor een TV-programma , hetgeen de oude garde waaronder Wim Sonneveld je ook altijd afraadde, maar dan had je weer een paar honderd gulden verdiend en kon je weer een maand leven. De grote sterren van die dagen hadden voor de Televisie een grote minachting, te meer omdat daar toen nog veel mensen werkten die op het toneel mislukt waren.

Ik werd gevraagd door een meneer die heette Almar Tjepkema. Het was ongetwijfeld voor een zogenaamd jongerenprogramma, ik meen zelfs voor de VPRO. Het lied in kwestie was zoals u kunt lezen nogal romantisch en poëtisch, dus moest het natuurlijk enigszins vervreemdend gefi lmd worden, anders was het niet modern genoeg. We gingen met de camera naar een bar in Amsterdam in de Korte Leidse-dwarsstraat, ik meen dat ie heette de Bamboobar, waar volop werd getwist, weet u nog, die dans waarbij je met je armen moest doen alsof je je onderrug met een badlaken stond af te drogen, en met je voeten moest doen alsof je een peukie stond uit te trappen. En te midden van die dansmenigte zong ik op een krukje mijn gevoelige lied. Ja, dat gaf wel een vervreemdend effect.

Ik had stiekem gedacht dat de volgende ochtend de producers in drommen in de Goereese-straat voor de deur zouden staan. Er was maar één net, iedereen moest het hebben gezien. Dat was niet het geval. De kunstenaar Louis van Roode, die woonde op een van de laatste boerderijen aan de Smeetlandse Dijk en die ik toen kende, troostte mij in zijn wijsheid als oudere. “Ach jongen”, zei hij, “dat komt allemaal nog wel…” Dat mis ik nu eigenlijk wel eens. Een ouder iemand die je wijze raad geeft. Maar ja, daar ben ik te oud voor. Louis was een boeiende fi guur. U kent hem van het prachtige mozaïek op de gevel van wat vroeger het Holbeinhuis heette, aan de Coolsingel hoek Stadhuisplein. Een fi guur te paard. Het stelt Erasmus voor op zijn weg naar Rotterdam. In die tijd had je een restaurant in Rotterdam, Erasmus geheten. Het lot wilde dat Louis een telefoonnummer had dat iets verschilde van het nummer van genoemd restaurant, dus werd hij geregeld gebeld, “…spreek ik met Erasmus?” Louis zei dan: “Nee, met z’n vader”. “Wat zegt u, met z’n vader?” “Ja, ik ben ‘m net aan het maken!”