Skip to main content
Green Button

Auteur: Peter

Televisie (3)

Alles was natuurlijk ontwikkeld door Philips in Eindhoven, dat wil zeggen in het dorpje Waalre. Tegenwoordig is dat één groot kennisgebied voor alle elektronica die de Hoge Hoeden nu weer aan het uitvinden zijn. In de jaren zestig prakkizeerde men er de kleurentv bij elkaar. Eens in de maand werd er een omroep uitgenodigd om een programmaatje van ’n uur samen te stellen, en dat werd dan in de avond ‘live uitgezonden voor een paar honderd toestellen die bij Philipsmensen thuis in de stad stonden. En zo werd het een aantal jaren later gewoon bij iedereen.

Namens de NCRV was ik zo omstreeks 1965 ook aan de beurt. Het was fascinerend om mee te mogen doen. In mijn herinnering was het op een soort van militair gebied, waar je zonder de nodige papieren niet eens mocht komen. Zelf zag je er natuurlijk niets van want eenmaal uitgezonden was het “weg”.

In de jaren zeventig werd dat anders, toen kreeg je de Ampex. Dat was een machine die alles registreerde, “opnam”. Grote spoelen met centimeters brede banden. Alles moest er in één keer goed op want je kon er niet mee monteren. Dus was het bijna hetzelfde als ‘live. Later kwam er een tweede machine bij dus dan werd montage mogelijk. Maar men was zeer zuinig. Aan het einde van de maand kreeg de topman van de omroep de banden van de opgenomen programma’s op zijn bureau en moest dan beslissen welke er gewist konden worden, want die banden werden dan opnieuw gebruikt. Zo is er in die dagen veel gewist en is er niets meer van te zien. Bijvoorbeeld van het legendarische “Ja zuster, nee zuster” van Annie Schmidt, met Hetty Blok en Leen Jongewaard en natuurlijk mijn billenmaat Barry Stevens. Niets meer van te zien op een paar liedjes na die op film stonden. En om het nog mooier te maken, het is een paar maal voorgekomen dat er programma’s bleken te zijn gewist die nog niet
uitgezonden waren, nou u en dan ik weer.

Ik weet dat bijvoorbeeld van een Mountiesshow omdat Joke daarin zat. Dat moest weer helemaal opnieuw opgenomen worden en ik weet ook nog wel dat de Hoogmogenden er van uit gingen dat de dames en heren artiesten dat wel voor niks zouden doen ( zo wordt dat volk aan de top miljardair, als u zich dat ooit heeft afgevraagd.) Maar die vlieger ging niet op, iedereen wilde gewoon zijn geld, en terecht. Je riskeert dan dat je niet meer wordt gevraagd, zo is het ook wel weer.

Ik deed in die tijd al volop mee, op sleeptouw genomen door de briljante regisseur Rob Touber. Hij is helaas vroeg overleden. Rob liet je dingen doen waarvan je niet wist dat je het kon. Helaas ook hier, er bestaat niets meer van. Maar vorig jaar kreeg ik bezoek van een tweetal bevlogen jongens die een podcast, als u begrijpt wat ik bedoel, aan het maken waren met behulp van alle repetitie- geluidsbandjes die ze bij mij en bijvoorbeeld Jenny Arean uit alle hoeken en gaten van onze respectievelijke woningen tevoorschijn speurden. Roland Vonk die ooit een koffer vol geluidsbandjes bij mij weg haalde speelde ook een belangrijke rol. Dat leverde een bijzonder aangenaam weerhoren op met een ver verleden. U moet die podcast maar eens beluisteren.

Met Rob maakte ik een aantal shows voor de VARA onder de titel “Wie wijst Gerard Cox de weg in Hilversum?” Dit waren de beginregels van het openingslied, op de wijs van “Do you know the way to San José? “ van Burt Bacharach en Hal David:

“Wie wijst mij de weg in Hilversum, wie heeft in mij idee, Ik zoek mijn plaats bij de TV…”

Ik heb mijn plaatsje wel gevonden.

Rare hangplek door communicatiefoutje

In 1959, als leerling van de Wilhelmina Kweekschool aan de Binnenrotte, werden wij herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld door onze leraarCuMa (Cultuur en Maatschappij) , de heer Steinz, om voor weinig geld filmsmet een maatschappelijk probleem tebekijken in bioscoop Kriterion, dieop de bovenste verdieping zat. Voorons altijd buiten de normale openingstijden om. Prachtige films met Ingrid Bergman, waaronder de topper Casasblanca. Voordat de film begon,kon je nog gewoon de stad in de diepte bewonderen, daarna zakte het filmdoek voor de ramen. Die imposante kijk op de stad, maakte destijds grote indruk op me. Toen ik dan ook las dat er weer iets dergelijks in Rotterdam kwam, zei ik tegen mijn vrouw: Daar wil ik bij zijn

Roof Top Walk evenement

Zodoende waren we in 2022 bij het Rotterdam Roof Top Walk evenement. Een luchtbrug verbond de Bijenkorf met het WTC_gebouw, dus dwars over de Coolsingel. Wij hebben genoten! Te midden van drommen andere trapbeklimmers . Voordat we begonnen , weet ik nog wel, stond er een echtpaar naast ons, maar de vrouw durfde eigenlijk niet. ‘Doe goa moar allehn, je ken, wat mai betreft, het dak
op… ik goa nie’. Dat klonk in dit geval erg komisch. En, manlief deed het inderdaad: alleen.

Land van Hoboken

Als vroegere bewoner van Rotterdam heb ik de meeste grote exposities van de stad meegemaakt. Het begon in 1950 met Ahoy. ‘Arie, we gaan naar het land van Hoboken’, zei mijn vader. Je zult daar een hoop leuks en moois zien.’ Ik dacht dat we naar het buitenland gingen, maar het was een reisje met het veerbootje, de ‘Heen en Weer’ vanaf Heijplaat naar Schiemond ende rest liepen we. Naar het Land van
Hoboken. In de jaren daarna werd daar het Dijkzichtziekenhuis gebouwd, en weer later werd dat uitgebreid tot het Erasmus MC. Ik was een jaar of 7 daarom weet ik er weinig meer van, maar het doel van de tentoonstelling was : het vieren van het havenherstel na de oorlog. Dat laatste vond ik wel interessant, want op ons dorp had ik als kleine jongen de havenkranen nog met doorgezakte poten in het water zien hangen. Opgeblazen door Duitse sprengkommando’s, maar in 1950 draaiden alle havenbedrijven bij ons, zoals Frans Swarttouw, weer als een tierelier. Wat me wel bijgebleven is, was het tochtje samen met mijn vader in een kabelbaan. Mieters vond ik dat… Nu gebruikt de jeugd daarvoor een heel ander woord.

Floriade

In 1960 gingen we met een hele groep studenten naar volgende grote expositie in de stad, de Floriade. De zweefgondelbaan probeerden we met z’n allen uit. Of we op de splinternieuwe Euromast geweest zijn ? Ik geloof het niet. Het zal er wel te druk zijn geweest. En de bloemetjes en plantjes, – waar het toch allemaal om draaide, – ach, die namen we voor lief maar mee.

C70

Een oplettende lezer zal zo langzamerhand zeggen: waar is nu het communicatiefoutje? Dat komt bij het volgende grootschalige evenement. Dat was tijdens Communicatie 1970. C70 moest – na alle vorige exposities – Rotterdam nu neer zetten als stad van vermaak en gezelligheid. Het toverwoord daarbij communicatie. Opnieuw werd er een kabelbaangebouwd, langs Coolsingel, Schouwburgplein , het Weena, enz. Er kwam een tijdelijk dolfinarium, een mooie maquette van de havens. De pas gewonnen Europacup 1 kon je bewonderen en er zelfs mee op de foto in een gebouwtje dat daarvoor speciaal neergezet was op de Coolsingel. Dat was nog de tijd van onze Coen Moulijn, Rinus Israël en de onlangs 80 jaar geworden Willem van Hanegem. Genoeg moois dus om te bekijken. Zeker ook vanuit mijn stoeltje in de kabelbaan. Zo zweefde ik tot slot op mijn gemak door het centrum. Onder me liepen de mensen op straat.

Beetje stijf

Toen we op het Binnenwegplein aankwamen, gebeurde het: ineens…. boem, heen en weer geslinger. We
hingen stil. Recht voor warenhuis Termeulen. De eerste vijf minuten was het machtig interessant, een lekker temperatuurtje, mensjes kijken, die zo’n tien meter onder je passeerden, maar na tien minuten was de lol er toch wel af. Je gaat verzitten, moet oppassen hoe je dat doet… Na een kwartier waren we het helemaal zat, maar ja, bewegen deed hij niet. Eindelijk, na bijna een half uur, kwam er opeens weer beweging in. C70 bood ons dus extra vermaak, en gezelligheid, maar op die manier hoefde het niet. Een beetje stijf en zelfs verkleumd stapten we uit. Ach, C70 kon aan die storing ook niks doen. Nu, na bijna vierenvijftig jaren, kijk ik er lachend en met een kwinkslag op terug. Voor mensen is goede gemeenschappelijk onderlinge verbinding een levensbehoefte, het motto van C70. We kunnen niet
zonder, maar ook bij technische zaken staat alles doodstil als de communicatie ,- door wat dan ook, – onderbroken wordt.


Arie van der Stoep
a.vdstoep@knid.nlwaarom

ZHRMS

Wie kan mij als verzamelaar helpen aan een bunkerbootje van de vroegere Zuid-Hollandsche Maatschappij tot redding van schipbreukelingen (ZHRMS). Zie foto. Prijs nader overeen te komen.

D.P.G. van der Horst

Oproep: Rotterdamse recepten van vroeger

Wat aten we vroeger thuis in Rotterdam en hoe maakten we dat klaar? Die vragen willen we graag door u laten beantwoorden. Waarom? Om er een leuk boek van te maken! Dus rammelen maar op het toetsenbord of klim in de pen en schrijf over bijvoorbeeld echte Rotterdamse lekkernijen als uierboord en kapsalon, maar ook gewoon krootjes, kaantjes, zuurkool met vette jus of exotische gerechten als roti, kousenband, couscous op z’n Rotterdams of die heerlijke Rotterdamse bal gehakt van moeder thuis.

Stuur uw inzendingen naar: info@deoudrotterdammer.nl of Redactie De Oud-Rotterdammer, Hoogeveenenweg 214, 2913 LV Nieuwerkerk aan den IJssel.

De meest bijzondere recepten worden opgenomen in het boek! We houden u op de hoogte over de verschijning daarvan. Dat wordt smullen!

Televisie (2)

Dat was een van mijn eerste liedjes, en dat zong ik bij mijn debuut op de televisie, dat was in 1961. Ik had toen met mijn grote vriend Bob Rooijens in een muziekwinkel in het Oude Noorden een gitaar gekocht. Hij was niet duur en van het naar zeggen beroemde merk Levin. Bob had mij een paar akkoorden geleerd, ik heb er nooit meer dan een stuk of tien onder de knie gekregen terwijl ik er volop mee optrad, dat durf je dan allemaal. Toen had ik een EP-tje gemaakt bij de Studenten Grammofoonplaten Industrie, een stel handige jongens die deel uitmaakten van de platenmaatschappij Bovema, bekend van het merk His Masters Voice, u weet wel, dat hondje bij die grote hoorn van een oer-grammofoon.

Dat plaatje was best gelukt, vooral ook omdat ik zo wijs geweest was voor de tweede gitaar Peter Blanker te vragen die echt gitaar kon spelen. ( De grote ster van SGI was toen de uiterst succesvolle Jaap Fischer.) Wim Kan vond een en ander niet verstandig van mij, vond dat ik er nog lang niet aan toe was, plaatjes maken. “U neemt de lift naar het succes, beter is trappen klimmen”, schreef hij mij. Toch had de oude meester daar, met alle respect, geen gelijk in, tenminste, het is maar hoe je het bekijkt. Door dat plaatje werd ik gevraagd voor een TV-programma , hetgeen de oude garde waaronder Wim Sonneveld je ook altijd afraadde, maar dan had je weer een paar honderd gulden verdiend en kon je weer een maand leven. De grote sterren van die dagen hadden voor de Televisie een grote minachting, te meer omdat daar toen nog veel mensen werkten die op het toneel mislukt waren.

Ik werd gevraagd door een meneer die heette Almar Tjepkema. Het was ongetwijfeld voor een zogenaamd jongerenprogramma, ik meen zelfs voor de VPRO. Het lied in kwestie was zoals u kunt lezen nogal romantisch en poëtisch, dus moest het natuurlijk enigszins vervreemdend gefi lmd worden, anders was het niet modern genoeg. We gingen met de camera naar een bar in Amsterdam in de Korte Leidse-dwarsstraat, ik meen dat ie heette de Bamboobar, waar volop werd getwist, weet u nog, die dans waarbij je met je armen moest doen alsof je je onderrug met een badlaken stond af te drogen, en met je voeten moest doen alsof je een peukie stond uit te trappen. En te midden van die dansmenigte zong ik op een krukje mijn gevoelige lied. Ja, dat gaf wel een vervreemdend effect.

Ik had stiekem gedacht dat de volgende ochtend de producers in drommen in de Goereese-straat voor de deur zouden staan. Er was maar één net, iedereen moest het hebben gezien. Dat was niet het geval. De kunstenaar Louis van Roode, die woonde op een van de laatste boerderijen aan de Smeetlandse Dijk en die ik toen kende, troostte mij in zijn wijsheid als oudere. “Ach jongen”, zei hij, “dat komt allemaal nog wel…” Dat mis ik nu eigenlijk wel eens. Een ouder iemand die je wijze raad geeft. Maar ja, daar ben ik te oud voor. Louis was een boeiende fi guur. U kent hem van het prachtige mozaïek op de gevel van wat vroeger het Holbeinhuis heette, aan de Coolsingel hoek Stadhuisplein. Een fi guur te paard. Het stelt Erasmus voor op zijn weg naar Rotterdam. In die tijd had je een restaurant in Rotterdam, Erasmus geheten. Het lot wilde dat Louis een telefoonnummer had dat iets verschilde van het nummer van genoemd restaurant, dus werd hij geregeld gebeld, “…spreek ik met Erasmus?” Louis zei dan: “Nee, met z’n vader”. “Wat zegt u, met z’n vader?” “Ja, ik ben ‘m net aan het maken!”

‘Atlantic Huis’ Westplein, een fraai bastion

Je ziet er veel toeristen, dat zegt genoeg. Het is er prettig wandelen, met aan de noordzijde imposante patriciërshuizen, en aan de zuidkant de knusse Veerhaven, zo mooi centraal gelegen. Wát een vondst om op de dwarswal van het haventje, pal achter sierlijke platanen, vijf Rotterdamse voormannen in brons (beeldhouwer Willem Verbon) te plaatsen: Van Beuningen, Van Hoboken, Jamin, Mees en Van Rijckevorsel. Zij hebben decennia bijgedragen om van het dorp Rotterdam een metropool te maken. Een fraai eerbetoon!

‘De Maas’

Wat vanaf de kop van de Veerhaven meteen opvalt is het gebouw in witte steen van de sociëteit KoninklijkeRoei- en Zeilvereeniging ‘De Maas’uit 1908. Het gebouw, een creatie van architect Barend Hooykaas, geassisteerd door de later zo geprezen Michiel Brinkman, is al ruim een eeuw een waar ‘pièce de résistance’. Het eenvoudige maar zeer functionele Jugendstil-pand, met een groot terras pal aan de rivier, trekt ieders oog. Genoemde toeristen, glurend naar al die prachtige zeilschepen in het haventje, vervolgen steevast langs de rechterkan hun wandeling richting rivier. Dit ritueel herhaalt zich dagelijks.

Atlantic Huis

Aan het Westplein hoek Westerstraat staat een kolossaal gebouw dat nóg meer impact heeft: het Atlantic Huis, gebouwd in 1930. Het was oorspronkelijk een bedrijfsverzamelgebouw, gebouwd in een soort van artdecostijl. Het enorme gebouw (in U-vorm), een creatie van architect P.G. Buskens, was indertijd ultramodern, met zelfs een parkeergarage, winkels en op de hoek een groot café-restaurant met de naam ‘Atlantic’. Wat vooral opvalt is de fraaie ronde hoek, met 7(!) verdiepingen. in verband met mijn nieuw uit te komen documentaire boek ‘Rotterdamse Restaurants’ ben ik vooral nieuwsgierig naar het horecagedeelte van het gebouw. Bijna niemand weet dat Atlantic, thans restaurant Loos, één van de oudste eetplekken van onze stad is. Na het Vietnamese restaurant Pho (Westkruiskade), De Pijp (Gaffelstraat) en het Parkhotel (Westersingel) komt Loos op een eervolle vierde plek! Het ruime restaurant Atlantic opende december 1930 de deuren, en als ik de verhalen mag geloven, is het altijd een ‘place to be’ geweest.

Hans Loos

In de loop van 1988 onderging het totale interieur van het café-restaurant een drastische restyling. Initiatiefnemers waren de nieuwe eigenaren Hans Loos en Daan van der Have. Hans Loos is de achterkleinzoon van de grote C.N.A. Loos die tussen 1908 en het Bombardement furore maakte met zijn prachtige horecatempel aan het Hofplein. Kunstenares Dorine de Vos tekende voor het nieuwe interieur. Zij liet zich inspireren door het decor van het befaamde Parijse La Coupole. Sinds januari 2022 voert ‘horecakoning’ Herman Hell de scepter in Loos, en men kan stellen dat de loop van het uitgaanspubliek richting deze opvallende drank- en eetplek er niet minder door is geworden. Loos heeft een ‘grandeur’, die je haast nergens anders in 010 vindt. Het grote terras op het zuidwesten is van april tot oktober één van de prettigste plekken om in alle rust een ‘versnapering’ te genieten.

Joris Boddaert

jorisboddaert@gmail.com

Welke gekke toren staat hier?

Wie weet hoe deze toren heet? Ik ben hier als kind al heel vaak geweest. Wie weet hoe deze toren heet? Ik ben hier als kind al heel vaak geweest. Wie weet hoe deze toren heet? Ik ben hier als kind al heel vaak geweest. Wie weet hoe deze toren heet? Ik ben hier als kind al heel vaak geweest. Wie weet hoe deze toren heet? Ik ben hier als kind al heel vaak geweest. Wie weet hoe deze toren heet? Ik ben hier als kind al heel vaak geweest.

Dorus is nog lang niet vergeten

Voor veel Rotterdammers van mijn generatie is Dorus niet weg te denken. Hoewel hij zelf geen geboren Rotterdammer is, wist hij ons zodanig te raken dat velen hem in hun hart hebben gesloten. De foto in de Oud- Rotterdammer was dan ook heel makkelijk te plaatsen. Het ging om een optreden in zijn eigen theater in Rotterdam waar kinderen bij hem op schoot een liedje mochten zingen. Dorus roept bij mij allerlei mooie herinneringen op. Het was eind jaren vijftig en ik was nog maar een dreumes terwijl mijn vader in een noodbakkerij aan de ‘s-Gravenweg een bestaan opbouwde als brood- en banketbakker. Naast de verkoop in de winkel leverde pa ook aan de horeca in het centrum van de stad. Het ging dan voornamelijk om saucijzenbroodjes voor de kroegen, waar een extra handje zout in was verwerkt, om de drankverkoop te stimuleren. Daarnaast had hij een heel netwerk van kleine winkeltjes (waterstokers) waar je de koekjes van mijn vader kon kopen. Ook leverde hij afgebakken platen bladerdeeg aan een mannetje dat naast zijn reguliere baan in het weekend een interessante bijverdienste had. Deze man verkocht, elke zondag bij de ingang van het Feyenoordstadion, tompoezen aan het publiek. Dat liep als een tierelier. Hij maakte die tompoezen met de plakken van mijn vader. Zelf kon hij wel een pannetje met banketbakkersroom ma- ken en ook de fondant wilde nog wel lukken, maar voor dat heerlijke bladerdeeg had hij de hulp van een goede bakker nodig en dat was mijn pa. Elke zaterdagavond bracht mijn vader een partijtje tompoesplakken naar die man toe, zodat hij daar de volgende ochtend weer tompoesjes van kon maken. Dankzij de goed lopende bijverdienste had de tompoezenverkoper al snel genoeg geld om een van de nieuwste uitvindingen uit die tijd in huis te halen, een televisie.

Tompoezenverkoper

Dat was in de tijd dat Dorus regelma-tig op zaterdagavond voor de VARA met een show op de televisie kwam. Eerst zag mijn vader, min of meer bij toeval, zo’n show toen hij zijn partijtje tompoesplakken kwam afleveren. De kamer was op dat moment propvol bij de tompoezenverkoper want veel van de buren, die nog geen televisie kon- den kopen, kwamen ook bij hem kij- ken. Pa vroeg aan de tompoezenverkoper of zijn vrouw en zoon (dat was ik dus) de volgende keer, dat Dorus zo’n show op de televisie bracht, ook mee mocht nemen. Dat mocht natuurlijk want dankzij de tompoes- plakken van mijn vader verdiende hij echt meer dan hij ooit voor mogelijk had gehouden. En zo kwam het dat ik op een avond, ver na mijn bedtijd, met mijn vader en moeder mee mocht in de bestelauto van de bakkerij naar de tompoezenverkoper. In die tijd waren er nog geen kinderzitjes voor kleuters.

Ik zat gewoon in een rieten stoeltje op de laadvloer achterin de bestelwagen. Als je dat nu zou doen zou je als bestuurder direct de bak in draaien. Toen was dat normaal. Niemand zei er iets van. Bij de tompoezenverkoper was al een grote groep mensen in de huiskamer en stond het er aardig blauw van de rook. Ook daar keek men toen anders tegenaan dan nu. Samen met pa en ma veroverden we een plekkie en keek ik voor het eerst televisie. Vanaf dat moment kon Dorus natuurlijk niet meer stuk bij mij.

Daarom gingen we ook naar zijn voorstelling in het pand op het oude Schuddebeursterrein aan de Mauritsweg. Geweldig was dat. In de show waren ook Mini en Maxi te zien die allerlei muzikale acts hadden. Een paar maandjes later kwam Dorus op de televisie met het programma “Dorus op schoot” waarbij een meisje eindeloos “Poesie mauw” bleef zingen. Van dat programma was ook de foto in de “Oud Rotterdammer” van 6 februari. Dorus is altijd een favoriet binnen mijn familie gebleven. Als ik met mijn gezin in de auto op weg was naar onze vakantiebestemming, draaide ik graag de liedjes van Dorus. Vele jaren later waren we op bezoek bij mijn oma in een bejaardenflat. Terwijl we daar door de gangen naar haar kamertje liepen hoorde mijn vader de zeer karakteristieke stem waarmee de tompoezenverkoper een halve eeuw geleden zijn waren aanprees bij het Feyenoordstadion. Dus pa ging op het vertrouwde geluid af en stak bij de ontspanningsruimte zijn kop om de hoek. Daar zat de tompoezenverkoper aan een tafel te klaverjassen en toen hij mijn vader zag moest hij toch even goed nadenken en toen riep hij met die krakende stem van hem: “Héé bakkertje!!” Die mannen hebben nog even gezellig zitten praten en ook daar kwam Dorus eventjes ter sprake, want na al die jaren waren ze nog steeds allebei een hele grote fan.

Daan Koppenol, Zoon van de bakker uit Kralingen, koppenoldaan@gmail.com

En natuurlijk kregen we nog veel meer reacties op de ‘Ken je dit nog’ foto van Dorus. Lees maar!

Pim Smit: “Ja tuurlijk! Dorus! Tom Manders, broer van Kees Manders. Een theatershow voor de kinderen met de beroemde bij Dorus op schoot ‘Poessie mauw!’ aflevering. Zelf bezocht met het item dat de metro net in Rotterdam reed en hij deed alsof deze door het theater van zijn zaak kwam denderen. En natuurlijk de zeer bekende ‘muizevalletje’ octrooi aanvraag.”

Carla Versnel: “Op 27-4-1967 ben ik naar een voorstelling van Dorus geweest in zijn theater in de Mauritsstraat. Ik vond het geweldig, ik had het voorheen al op de televisie gezien. In het echt was het een belevenis. Er was volgens mij niet echt een podium, we zaten op kistjes en hij bewoog zich tussen het publiek. Ik ben erna nog een paar keer geweest, soms verkocht hij zelf kaartjes, zonder vermomming, dan was hij onherkenbaar. Ik moet er nog vaak aan denken, het was zo’n leuk avondje uit. De datum weet ik nog precies want toen we uit het theater kwamen was het feest in Rotterdam, er was een prins geboren, onze huidige koning. Ik was 19 jaar, had net mijn rijbewijs, ik mocht de auto van mijn vader lenen. Toen ik op het Hofplein kwam was daar een grote menigte feest aan het vieren, polonaise tussen de auto’s door en door het fontein. Ik kon geen kant op alle auto ‘s stonden vast. De lichte auto’s zoals de lelijke eenden moesten het ontgelden, de mensen vlogen zowat tegen het dak van de auto. Gelukkig was mijn auto wat zwaarder. Bedacht me op dat moment, dit is waarschijnlijk de laatste keer dat ik de auto mag lenen. Gelukkig was er geen schade, in die tijd was er nog feest zonder dat het op rellen uit liep.”

Jannie Hoogendoorn: “Ik denk dat ik 10/11 jaar oud was dat we op de Mauritsplaats dat leuke theatertje van Dorus bezochten. Veel hout binnen herinner ik me, volgens mij zaten we op kistjes en er was een beweegbare vloer, die als de metro zogenaamd langs kwam(onderdoor zei Dorus) ging bewegen, je zat dan echt te schud- den, hilarisch was dat. Het program was mét de Jonge Tien weet ik nog, daarbij zaten o.a. Mini en Maxi die onder andere het Hotscha trio deed samen met Dorus met borstels als mondharmo- nica’s, die gekke bekken van Maxi waren enig. Als kind was je de ster daar en mocht je lied of verhaal doen bij Dorus. Dit was een van m’n eerste theaterervaringen. Het was heel bijzonder. Onvergetelijk!”

Ruud Kuipers: “”In z’n hoestbui op vier wiele”, zo kwam Tom Manders (beter bekend als Dorus) in 1967 naar Rotterdam om daar een eigen theater te beginnen aan de Mauritsstraat vlak bij het Schouwburgplein. Voordat hij naar Rotterdam kwam was hij al heel bekend van televisie, hij speelde in verschillende shows, als komiek, conferencier en zanger, want hij schreef ook talloze liedjes. Dat waren altijd gezellige zaterdagavonden waar je voor thuis bleef. Het Rotterdamse avontuur duurde van 1967 tot 1970. Heel populair was het programma “Bij Dorus op schoot” waar zo’n 400 kinderen in het theater zaten en dan mochten de kinderen bij hem op schoot komen zitten voor een praatje en een liedje zingen, dat was een feest voor de kinde- ren. Een fragment dat is me altijd bijgebleven was een meisje van twee jaar met poesie mauw- poesie mauw- poesie mauw, wat wel een paar minuten duurde omdat dit de enige regel was die ze kende. Tom Manders was een geweldig artist helaas veel te vroeg overleden.”

Margriet de Held-Ouwerkerk: “Waarschijnlijk was het in 1966, ik was toen 13 jaar oud, dat mijn schoolvriendinnetje Marianne van Greeven mij uitnodigde om mee te gaan naar het cabaret van Dorus. Er waren speciale kindermiddagen. Haar broertje was jarig en mocht met een aantal vriendjes naar het cabaret. Buiten dat het voor mij leuk was om mee te gaan, was het ook handig om te helpen met de jongens een beetje in de gaten te houden. Ik kan mij herinneren dat ik het prachtig vond om mee te maken. Volgens mij stond het halfronde orgel van meneer Cor Steijn er ook maar er werd niet op gespeeld. Ook werden kinderen uitgenodigd om een liedje te komen zingen, waarbij natuurlijk het beroemde “Poessie Mauw” ook voorbijkwam, dit was inmiddels door de bekende en veel herhaalde TV-uitzending legendarisch. De ingang van het Cabaret was achter de toenmalige Pauluskerk, in de Mauritsstraat. Begin 70’er jaren werkte ik bij de Nedelandsche Middenstands Bank op de Westersingel toen een van mijn collega’s een keurige heer aanwees (met hoed?) en me vroeg of ik wist wie dit was. Het bleek Tom Manders te zijn. Ik heb hem nadien nog een aantal keer gezien en vond het een grote schok toen hij al zo jong overleed. Nog steeds komen de liedjes “Als ik wist dat je zou komen” en “2 motten” regelmatig in mijn hoofd, en soms ook hardop, voorbij. Ook “Weet je wat een Rotterdammer”, onvergetelijk, zeker als je bedenkt dat Dorus een Amsterdammer was, is het toch een prachtig lied over en voor Rotterdammers. Kortom hij heeft heel veel moois nagelaten.”

Karin Vermeer: “Jazeker! Ik herinner mij meerdere keren in het theatertje te zijn geweest, waarvan 1 keer met mijn vader en in ieder geval 1 van mijn 2 broers. Ik denk dat de jongste nog te klein was. Bij die gelegenheid werd mijn vader uit het publiek gepikt. Hij probeerde er nog onderuit te komen maar dat lukte niet. Hij moest samen met een andere vader een wed- strijdje “Luier verwisselen” doen op het podium. Ik weet niet meer wie er gewonnen heeft. Ook Mini en Maxi staan op mijn netvlies geschreven en de liedjes van Dorus kan ik mij ook levendig herinneren. Wij hadden thuis de LP van Dorus met meneer Cor Steyn. Verder zie ik Tom Manders nog als Dorus aan de bar staan voordat de voorstelling begon.”

Anneke Mengelkamp: “Ik ben woonachtig in Spanje. Mijn zus uit Spijkenisse stuurt me dit zojuist toe. Het is namelijk mijn jongste dochter Monica Mosch die op de foto staat. Het is heel wat jaartjes geleden zij is nu 63 jaar. Van deze foto zijn destijds ook ansichtkaarten gedrukt. Mijn toenmalige man, fotograaf Harry Mosch (en haar vader) Fotoburo Artifo Mariniersweg heeft deze opname gemaakt. Een leuke verrassing voor mij.”